Motivatietheorie laat zien dat betrokkenheid groeit wanneer leerlingen autonomie ervaren. Een hoe-vraag nodigt uit tot keuzes maken, onderzoeken en creëren.
Uit verschillende motivatietheorieën blijkt dat leerlingen zich meer betrokken voelen wanneer ze autonomie ervaren en invloed hebben op hun eigen leerproces. Wanneer ze keuzes mogen maken en hun eigen aanpak mogen verkennen, groeit hun eigenaarschap.
Een hoe-vraag stimuleert precies dat.
Het verschil tussen “doe dit” en “hoe pak jij dit aan?” is groter dan het lijkt. In het eerste geval voeren leerlingen een oplossing uit die al vastligt. In het tweede geval worden ze uitgedaagd om zelf te denken, te onderzoeken en te ontwerpen.
Je erkent dat er verschillende manieren zijn om iets te doen, en je nodigt leerlingen uit om hun eigen kennis, interesses en vaardigheden in te zetten. Dat vergroot niet alleen hun betrokkenheid, maar maakt het ook makkelijker om vakken met elkaar te verbinden. Een goede hoe-vraag vraagt bijna vanzelf om kennis uit meerdere disciplines.

Natuurlijk vertellen we leerlingen regelmatig wat ze moeten doen. Dat is overzichtelijk en efficiënt. Alleen, tegelijkertijd merken we dat motivatie niet vanzelfsprekend is. Leerlingen voeren uit wat al is bedacht. Ze doen wat moet, leveren 'iets in' bij de docent, maar denken niet altijd mee.
